VOORWOORD              

Zoals zoveel jonge mannen, in de periode 1946 - 1950, is ook mijn vader als dienstplichtig militair door de Nederlandse regering naar IndonesiŽ gezonden om mee te werken aan het herstellen van "Orde en Rust".

Vanaf zijn vertrek uit Nederland, op 2 juli 1948 tot 30 november 1948, hield hij een dagboek bij. Gedurende deze periode was hij gelegerd in Soerabaja en ingedeeld als automonteur bij de VORA (Verpleging Onderhoud Reparatie Afdeling).

Het dagboek is geenszins een verhaal over eindeloze patrouilles in het voorterrein en de strijd tegen een bijna onzichtbare tegenstander.
De dagen in Soerabaja, ver verwijderd van het "front", werden gevuld met werken, passagieren, slapen, wachtlopen en het patrouilleren in de kampongs aan de rand van Soerabaja. Het dagboek laat zien hoe een jongen van amper twintig jaar, uit een zeer hecht gezin, de eerste maanden in IndonesiŽ doorbrengt en tegen zijn nieuwe leefomgeving aankijkt.

Na 30 november 1948 tot aan zijn repatriŽring op 15 november 1949, heeft hij zijn dagboek, uitgezonderd enkele dagen, niet meer bijgehouden. Maar hoe ging het verder.
Tijdens de 2e politionele actie, die startte op 19 december 1948, werden de mannen van de VORA daar waar nodig ingedeeld bij de diverse onderdelen. Na de actie kwamen de mannen weer terug. Voor zover mij bekend, bleef mijn vader in Soerabaja waar hij zijn werk verrichtte.
In juni 1949 werd de MariniersBrigade opgeheven. Dit betekende ook dat de VORA als onderdeel werd opgeheven.

Mijn vader werd als automonteur ingedeeld bij het "Mopel" (Motortransport Peloton) en gelegerd in Modjokerto. Het Mopel was een onderdeel van het "Specco" (Specialistencompagnie) Na enige tijd werd zijn groep verplaatst naar Babat.
Hier verbleef hij tot aan zijn repatriŽring.

8 maart 2006
Jan Bleijenberg jr.